Carillon

Het muzikale verzet van Nico Bruyn.
Door Gerard Brouwer


 

Twentse steden kwamen pas laat in aanmerking met de beiaardkunst. Pas in 1926 kreeg Almelo in de toren van de St. Georgiuskerk als eerste  een klokkenspel. Nico Bruyn werd daar beiaardier. Hij zou er, getooid met een grijs baardje en een alpinopet op het hoofd, tot op hoge leeftijd menuetten, volksliederen en psalmen spelen, die boven het straatrumoer uit als feestelijke confetti over de stad dwarrelden.

Almelo was de eerste stad in Twente met een `zingende toren`. Dat was te danken aan fabrikant Johannes Lucas ten Bos, die in 1925 ter ere van zijn zilveren huwelijksfeest aan deken H.A.P. van der Waarden voor de toren van de St. Georgiuskerk een volledige 3-oktaafs bejaard schonk, met klokken die waren vervaardigd door de bekende Engelse gieter Gillet & Johnston te Croydon. Dat vonden de Twentse fabrikanten blijkbaar een mooi gebaar want in 1929 schonk fabrikant Van Heek voor Enschedese stadstoren een zware 3,5-oktaafs bejaard, waarna in 1930 fabrikant Gelderman in Oldenzaal ervoor zorgde dat de Plechelmustoren ook zo`n klokkenspel kreeg.

Op 15 maart 1926 kwamen in Almelo de bestelde klokken vanuit Engeland per schip aan, waarna op tweede pinksterdag, tijdens de achtste Twentse Katholiekendag, het carillon in gebruik werd genomen. Na de inhuldiging speelde er echter niemand meer op. Nico Bruyn zag dit met lede ogen aan.
Deze in Scheveningen geboren musicus was aanvankelijk muziekleraar en organist van de Grote Kerk, een functie waarvoor hij werd gekozen uit veertien kandidaten omdat zijn improvisatietalent zo opviel. Nico Bruyn durfde de stap van het orgel naar de Almelose beiaard wel te maken en na wat spelonderricht van de beiaardier Benno de Bruin uit Enschede beklom hij in 1929 (hij was toen 46 jaar) voor de eerste maal de 118 treden van de smalle wenteltrap van de St. Georgiustoren.

Nico Bruyn wilde zich echter meer in het spelen van de beiaard bekwamen en toog daarom naar het Belgische Mechelen, het Mekka van de klokkenisten. Hij volgde daar enkele jaren de lessen, maar omdat de reis van Almelo naar Mechelen niet zo makkelijk was en hij het bovendien veel te druk kreeg, kon Bruyn niet regelmatig het onderricht bijwonen. Hij was echter al zover gevorderd dat hij in 1935 te Zwolle met “Variaties op het Twentse volkslied” in een wedstrijd voor beiaardcomposities als eerste eindigde. Twee jaar later won hij ook de eerste prijs in Mechelen.

 

Overmoedig

In Almelo zorgde Nico Bruyn ervoor dat men met regelmaat via de grote galmgaten in de Georgiustoren vrolijke klanken over de stad buitelden, maar na het begin van de Tweede Wereldoorlog werd het spel tijdelijk stopgezet. De Duitse bezetters bleken in ons land interesse te hebben in het brons van kerkklokken en deken Van der Waarden wilde geen slapende honden wakker maken. Nico Bruyn en de deken konden de muziek echter niet missen en dus werd het spel toch weer in werking gesteld. Bruyn speelde daarbij regelmatig “Wij willen Holland houden” en delen van het Wilhelmus en dat was toch wel een tikje overmoedig zou hij later toegeven. Zijn muzikale verzet duurde tot 1943, want toen haalden de Duitsers de Almelose klokken weg. Gelukkig trof het dat een muziekliefhebber met de uitvoering werd belast en na de smeekbeden van Nico Bruyn en de deken te hebben aangehoord, stond hij toe dat ze 1000 kilo brons mochten houden. Zorgvuldig zocht Bruyn vervolgens tien kleine klokken uit, die samen 937 kilo wogen en waarmee het mogelijk was muziek ten gehore te brengen, die nog enigszins de moeite waard was. Tot het einde van de oorlog kon de beiaardier op die manier spelen en vooral “Wij willen Holland houden” heeft vaak geklonken.

Na de oorlog studeerde Nico Bruyn opnieuw in Mechelen, waar hij tenslotte in 1950 op 68-jarige leeftijd het door hem zo fel begeerde beiaardcertificaat ontving. Vlak na de bevrijding was het echter niet zo eenvoudig om naar België te gaan. Hiervoor wat niet alleen een geldig paspoort nodig, maar ook een “bewijs van burgertrouw”. Nico Bruyn had echter verzuimd deze beide documenten aan te schaffen. Hij kreeg evenwel hulp van zijn voeten, want op de vraag van de grensbeambten of hij kon bewijzen dat hij gedurende de bezetting niet met de vijand had geheuld, stak Bruyn een schoenzool onder de neus van de verbaasde rijkswachten. Daarop stond, keurig met kopspijkertjes genageld, het hakenkruis. Op de andere zool had Bruyn hetzelfde gedaan. “Ziedaar”,moet hij hebben gezegd “hoe ik over nazi`s denk. Ik heb ze aan mijn laars gelapt en ze heel de oorlog met de voeten getreden.” De grenswachten waren zo onthutst door deze verrassende vertoning, dat ze hem prompt door lieten.

 

Nieuw spel

De Duitsers hadden 28 klokken geroofd en in Almelo wilde men graag na de oorlog een nieuw klokkenspel, maar de centen hiervoor kreeg men niet bij elkaar, ondanks het feit dat er oorlogsschadevergoeding werd uitgekeerd. Tenslotte echter kon door persoonlijk optreden van burgemeester J.M. Ravesloot en de toenmalige deken G.L. Veeger het benodigde geld bijeen worden gebracht en kon aan de firma Petit & Fritsen Koninklijke Klokkengieterij uit het Brabantse Aarle-Rixtel opdracht worden gegeven een spel van 39 klokken te maken, waar in 1963 nog eens acht kleine klokjes bij kwamen. Het ambacht van het klokkengieten gebeurt bij de firma nog steeds volgens een eeuwenoud procedé, waarbij het op elkaar afstemmen een ware kunst is. Lukt alles, dan is tenslotte een klok tot op één honderdste van een halve toon gestemd.

Voor Nico Bruyn was het een echte feestdag toen hij in 1951 voor het eerst weer een volledige en zuivere beiaard kon late horen. Hij speelde steeds zonder enige vergoeding, maar vanaf dat moment was hij bezoldigd stadsbeiaardier waarbij hij door de gemeente werd betaald. Behalve de concerten zorgde Bruyn ook voor het automatische klokkenspel, waarvoor hij tweemaal per jaar een lijstje met titels van wijsjes aan het gemeentebestuur en de deken gaf, die vervolgens een keuze maakten. De beiaardier zorgde er daarna voor dat de melodietjes op de automatische muziekrommel kwamen te staan, zodat ze elk kwartier te horen waren. Hij moest dan palletjes “versteken” die via staaldraden hamertjes in werking stelden die op de klokwanden tikten.

Nico Bruyn, die thuis in de Hofkampstraat oefende op een piano en een carillonklavier waar metalen staafjes de klank van kerkklokken nabootsten, verzuimde nooit, ook al moest hij ’s winters dik ingepakt en met overschoenen aan in de koude Georgiuskerk zitten. “Ik speel me wel warm,” verkondigde hij dan. Alleen als de sneeuw om de toren joeg en de beiaard vastzette, moest Nico Bruyn noodgedwongen verzaken.

Al ver in de tachtig beklom de nestor van de Nederlandse beiaardiers nog elke donderdagmorgen, marktdag, met opvallend gemak de steile trap om een concert te geven. Als hij speelde -met beschermende nappahoesjes om de pinken- hamerde hij onvermoeibaar met zijn handen op de houten toetsen van het stokkenklavier en verplaatsen zijn voeten zich razendsnel van pedaal naar pedaal. Om zijn goede vorm en lenigheid te tonen, hief hij graag een been en drukte de knie tegen een oor. “Dat wil ik iemand van mijn leeftijd wel eens zien doen,” zei hij dan. Nico Bruyn stierf op 9 februari 1972. Hij was toen 89 jaar.

 

Verval

In 1976 werd gevierd dat Twente een halve eeuw geleden het eerste carillon kreeg. De Hengelose stadsbeiaardier Rinus de Jong componeerde voor deze gelegenheid een heel feestprogramma met vijftien liedjes met titels waarin ook diverse steden aan bod kwamen, zoals Almelo met “wandeling door de Gravenallee”, Borne met de “melbuulnpolka”en Enschede met “krakelingendans”. De muzikale herdenking klonk bij alle Twentse carillons, behalve bij die van Almelo! Dat had een simpele reden, want ook hier gold dat stilstand achteruitgang betekende. Nu het Almelose carillon niet meer werd bespeeld, was het langzaam in het verval geraakt. Rinus de Jong vertelde later over de toenmalige staat van het Almelose klokkenspel: “Ik heb er nog eens op gespeeld op verzoek van de vereniging “Koetsenkeerls”, maar toen die dat een jaar daarop weer vroegen, bleek de beiaard niet meer gebruikt te kunnen worden. Ongelooflijk, hoe zo`n instrument achteruit gaat wanneer je het niet regelmatig bespeelt!” 

Toen er in september 1974 bovendien een blikseminslag in de toren was, kon alleen snel ingrijpen het klokkenspel nog redden. De parochie had daar echter het geld niet voor en daarom werd op initiatief van de Rotary Club Almelo de Stichting Vrienden van het Stadscarillon opgericht, met als voorzitter de doopgezinde predikant J.Wieringa. De actie “Twee ton voor het carillon” bracht uiteindelijk genoeg geld op om in 1982 Klokkengieterij Koninklijke Eijsbouts uit het Brabantse Asten het carillon te laten restaureren. Van de 47 klokken werden daarbij de kleinste dertien vervangen. Op 4 juni 1982 was de klus vakkundig geklaard en kon het carillon weer in gebruik  worden genomen. Het kerkbestuur droeg vervolgens de toren en het carillon over aan de gemeente, waarna Stichting Vrienden van het Stadscarillon zorg droeg voor het onderhoud van het klokkenspel en het laten bespelen. In 2000 werd het spel nog uitgebreid met een zogenaamde Es-klok. Wim van der Linden werd na Nico Bruyn de tweede beiaardier in de St.Georgiustoren. Tegenwoordig bespeeld Frans Haagen daar de beiaard en deze musicus zorgt er eveneens voor dat tweemaal per jaar nieuwe melodieën op de automatische speeltrommel komen te staan. Maar de geldzorgen zijn gebleven, want de gemeente kortte inmiddels de subsidie, sponsors trokken zich terug en ook het aantal donateurs van de stichting werd minder. Weliswaar draagt nu Almelo Promotie ook een steentje bij, maar nieuwe sponsors of donaties zijn zeer welkom. En misschien, zo hopen de Vrienden van het Stadscarillon, valt er via de belastingdienst op de een of andere manier nog een fiscaal voordeel te behalen, je weet maar nooit.